begijnhof

De begijnen
Vanaf de 12de eeuw voelen meer en meer vrouwen de behoefte om zicht uit de maatschappij terug te trekken. Zij willen een leven van vrijwillige armoede en zuiverheid voeren zonder daarom in een bestaande kloostergemeenschap in te treden. De naam begijn duikt pas rond het midden van de 13de eeuw op. Tot dan toe had de beweging die zich over gans Europa uitstrekte, heel wat vervolgingen gekend. Pas in 1216 toen ook de paus zich achter de beweging schaarde, kwam de definitieve doorbraak. Van Spanje tot Polen ontstonden honderden kleine gemeenschappen waarvan de overgrote meerderheid echter reeds voor 1400 weer verdwenen was.

Echte begijnhoven ontstonden vanaf de 13de eeuw hoofdzakelijk in de Nederlanden. Het complex van kerk, gebouwen en woningen waarin begijnen samenleven, ontstond meestal aan de rand of vlak buiten de stadsmuren. In de zuidelijke Nederlanden kenden zijn onder invloed van de Contrareformatie een hernieuwde bloei in de 16de en 17de eeuw. De Franse Revolutie betekende in onze streken het einde van de begijnenbeweging. Slechts enkel gemeenschappen hebben hun bestaan tot op de dag van vandaag kunnen rekken. Te Hasselt stief de laatste begijn in 1886.

Hasselts begijnhof
In 1245 is er voor het eerst sprake van een begijnhof te Hasselt. Dit werd echter in 1567 bij de Calvinistische opstand te Hasselt verwoest. Nadat prins-bisschop Gerard Van Groesbeek de rust hersteld had, besloten de begijnen een nieuw begijnhof te stichten dat om veiligheidsredenen binnen de stadsmuren gelegen was. Zij vestigden zich eerst in enkele lemen huizen rond een kapel op de rechteroever van de Demer. Zoals gebruikelijk legden de begijnen zich toe op het onderwijs van meisjes uit de gegoede burgerij en de ziekenzorg. Toen in 1625 na de Slag bij Fleurus een pestepidemie woedde, zetten zij zich volledig in bij de bestrijding van deze plaag. Zes begijnen stierven.
De religieuze opbloei veroorzaakt door de Contrareformatie liet ook het Hasseltse begijnhof niet onberoerd. Op het einde van de 17de eeuw werd het begijnhof te klein. Men besloot een nieuw begijnhof op te richten aan de overzijde van de Demer. In 1707 bouwde Anna-Catharina Van Hilst een eerst huis vlak naast de Demer en in 1711 was de vleugel palend aan de Witte-Nonnenstraat afgewerkt. In 1723 en 1736 raakte telkens een deel van de vleugel aan de Badderijstraat klaar. Het laatste huis in deze reeks werd in 1762 afgewerkt. Ondertussen was men met de bouw van de kerk gestart. Deze werd in 1754 voltooid om pas in 1759 ingewijd te worden. Naarmate de bouw van het nieuwe begijnhof vorderde, verlieten de begijnen het oude begijnhof dat vervolgens aan leken werd verhuurd.

Hoewel nog niet alle begijnen een nieuwe woning hadden, kreeg in het nieuwe begijnhof nu toch het poortgebouw (1780) de voorrang. Op dat ogenblik vielen de bouwactiviteiten definitief stil.

In 1798 zou eerst het oud begijnhof openbaar verkocht worden. Via omwegen konden een aantal begijnen en voormalige kloosterzusters er toch nog blijven wonen. De begijnen probeerden zich te reorganiseren maar de belangstelling bleek te gering om nog lang te overleven.

In 1880 werd het "armenbureel" van Hasselt definitief eigenaar van het begijnhof en sinds 1881 werd de kerk niet meer gebruikt.
Het Provinciebestuur van Limburg verwierf het complex in 1938 en begon met de restauratie ervan. In 1944 werd het begijnhof door bombardementen zwaar beschadigd. De kerk zou niet meer opgebouwd worden; de ruïne werd echter bewaard als een blijvende aanklacht tegen het oorlogsgeweld. In 1946 werden in het herstelde begijnhof de Provinciale Bibliotheek en het Provinciaal Museum gehuisvest.
In 1980 verhuisde de Provinciale Centrale Openbare Bibliotheek uit het beginhof naar een aanpalende nieuwbouw aan de Martelarenlaan, gebouwd door architect P. Felix en G. Nolens. Andere provinciale diensten vonden een onderkomen in het Begijnhof.

De gebouwen
Het Hasselts begijnhof is een pleinbegijnhof. Alle huizen zijn rond een centraal plein, waarop een kerk staat, geschikt.

Het poortgebouw (1780) is in classicistische stijl opgetrokken. De poort en de ramen zijn met Naamse kalksteen omlijst. Naar buiten toe is het poortgebouw, zoals ook de huizen, vrij gesloten. De poort werd immers elke avond gesloten en gaf de begijnen de nodige rust en afzonderingen voor hun ingetogen leven en godsdienstige meditaties.

Van de begijnhofkerk (1753-54), die aan de heilige Catharina gewijd was, blijven slechts enkele puinen over die ons een vage indruk geven van het hoge classicistische gebouw. Tegen de resten van de muren staan een aantal grafstenen of fragmenten die hier een bestemming hebben gevonden. Naast de grafstenen kan men er tevens enkele gesmede torenkruisen en dakversieringen bewonderen. Deze zijn afkomstig uit gans Limburg en dateren uit de 16de, 17de en 18de eeuw.

De huizen zijn in Maaslandse renaissancestijl opgetrokken met overvloedig gebruik van Naamse kalksteen rond de venster en deuren. Elk huis heeft een tuintje met muur en ingangspoort. Oorspronkelijk waren de tuintjes wel door muren gescheiden en deelden twee huizen het gebruik van één waterput zoals nu nog bij de huizen 9 en 10 te zien is. Tijdens de restauratiewerken vlak na Wereldoorlog II werden een aantal waterputten gedempt. Hoewel de traditie wil dat in één van de huizen (nr. 1) ooit twaalf begijnen woonden waren de meeste huizen slechts bestemd voor twee tot drie begijnen.
Het oudste huis (nr. 1) dateert uit 1707 en werd door Anna-Catharina Van Hilst (zie wapenschild boven de deur) opgedragen aan de heilige Jozef (zie reliëf in ovaal boven de deur. Ook de bovendrempel van het tuinpoortje nr. 6 hoort hierbij).

Dit huis is rijkelijker afgewerkt dan de andere. Boven de deur van huisje nr. 4 staat het wapenschild van de familie Eijben. In de gevels van de meest recente huizen is men veel spaarzamer omgesprongen met de kalksteen. Aan de zijgevel van het laatste huis van de jongste vleugel is duidelijk te merken dat men hier nog verder wilde bouwen. Bij nader toezien kunnen de drie bouwfazen van deze gevels - 1723,1736 en 1762 - relatief gemakkelijk herkend worden.

Share |