Provincie Limburg.be

geschiedenis


Z33 staat voor Zuivelmarkt 33, de voormalige begijnhofsite van Hasselt. 750 jaar geleden kwam de begijnenbeweging naar Hasselt, 300 jaar geleden vestigde ze zich op de huidige begijnhofsite. Sinds 1938, toen de provincie Limburg eigenaar werd, vervult de site op uiteenlopende manieren een culturele functie in het stadscentrum.

Het Provinciaal Museum en het multidisciplinaire Centrum voor Kunsten-Begijnhof smolten in 1996 samen tot het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten – Begijnhof (PCBK). In 2002 kwam er een nieuwe herdoop: Z33 brengt vanaf dan actuele kunst en vormgeving samen in thematische projecten waaraan ook andere disciplines worden verbonden.

Gezien de inhoudelijke achtergrond, was het in 2002 een eerste prioriteit van Z33 om een integrale en multidisciplinaire projectwerking op te zetten en uit te bouwen. Deze nieuwe werking werd in 2002 gelanceerd met het project nr.0 TEST. Sindsdien gaat Z33 telkens op zoek naar de wisselwerking tussen verschillende disciplines.

Z33 heeft door haar bijzondere locatie een waaier aan mogelijkheden om projecten te tonen. In de modernistische tentoonstellingsvleugel organiseert Z33 drie maal per jaar een groot tentoonstellingsproject en in de begijnhofhuisjes organiseren we kleinschaligere projecten.

VLEUGEL '58

Vleugel '58 is de grote tentoonstellingsvleugel van Z33, links van het poortgebouw. Het ontwerp van architect G. Daniëls werd in 1958 opgetrokken als tentoonstellingsplek voor hedendaagse kunst en baadt in natuurlijk licht.

 

BEGIJNHOF

De begijnen

Vanaf de 12de eeuw voelden meer en meer vrouwen de behoefte om zich uit de maatschappij terug te trekken. Zij wilden een leven van vrijwillige armoede en zuiverheid voeren zonder daarom in een bestaande kloostergemeenschap in te treden. De naam begijn dook pas rond het midden van de 13de eeuw op. Tot dan toe had de beweging, die zich over gans Europa uitstrekte, heel wat vervolgingen gekend. Pas in 1216 toen ook de paus zich achter de beweging schaarde, kwam de definitieve doorbraak. Van Spanje tot Polen ontstonden honderden kleine gemeenschappen waarvan de overgrote meerderheid echter reeds voor 1400 weer verdwenen was.

Echte begijnhoven ontstonden vanaf de 13de eeuw hoofdzakelijk in de Nederlanden. Het complex van kerk, gebouwen en woningen waarin begijnen samenleven, ontstond meestal aan de rand of vlak buiten de stadsmuren. In de zuidelijke Nederlanden kenden zijn onder invloed van de Contrareformatie een hernieuwde bloei in de 16de en 17de eeuw. De Franse Revolutie betekende in onze streken het einde van de begijnenbeweging. Slechts enkel gemeenschappen hebben hun bestaan tot op de dag van vandaag kunnen rekken. Te Hasselt stief de laatste begijn in 1886.

Hasselts begijnhof
In 1245 is er voor het eerst sprake van een begijnhof te Hasselt. Deze werd echter in 1567 bij de Calvinistische opstand te Hasselt verwoest. Nadat prins-bisschop Gerard Van Groesbeek de rust hersteld had, besloten de begijnen een nieuw begijnhof te stichten dat om veiligheidsredenen binnen de stadsmuren gelegen was. Zij vestigden zich eerst in enkele lemen huizen rond een kapel op de rechteroever van de Demer. Zoals gebruikelijk legden de begijnen zich toe op het onderwijs van meisjes uit de gegoede burgerij en de ziekenzorg. Toen in 1625 na de Slag bij Fleurus een pestepidemie woedde, zetten zij zich volledig in bij de bestrijding van deze plaag. Zes begijnen stierven.
De religieuze opbloei werd veroorzaakt door de Contrareformatie en deze liet ook het Hasseltse begijnhof niet onberoerd. Op het einde van de 17de eeuw werd het begijnhof te klein. Men besloot een nieuw begijnhof op te richten aan de oeverzijde van de Demer. In 1707 bouwde Anna-Catharina Van Hilst een eerste huis vlak naast de Demer en in 1711 was de vleugel palend aan de Witte-Nonnenstraat afgewerkt. In 1723 en 1736 raakte telkens een deel van de vleugel aan de Badderijstraat klaar. Het laatste huis in deze reeks werd in 1762 afgewerkt. Ondertussen was men met de bouw van de kerk gestart. Deze werd in 1754 voltooid om pas in 1759 ingewijd te worden. Naarmate de bouw van het nieuwe begijnhof vorderde, verlieten de begijnen het oude begijnhof dat vervolgens aan leken werd verhuurd.

Hoewel nog niet alle begijnen een nieuwe woning hadden, kreeg in het nieuwe begijnhof nu toch het poortgebouw (1780) de voorrang. Op dat ogenblik vielen de bouwactiviteiten definitief stil.

In 1798 zou eerst het oud begijnhof openbaar verkocht worden. Via omwegen konden een aantal begijnen en voormalige kloosterzusters er toch nog blijven wonen. De begijnen probeerden zich te reorganiseren maar de belangstelling bleek te gering om nog lang te overleven.

In 1880 werd het "armenbureel" van Hasselt definitief eigenaar van het begijnhof en sinds 1881 werd de kerk niet meer gebruikt.
Het Provinciebestuur van Limburg verwierf het complex in 1938 en begon met de restauratie ervan. In 1944 werd het begijnhof door bombardementen zwaar beschadigd. De kerk zou niet meer opgebouwd worden; de ruïne werd echter bewaard als een blijvende aanklacht tegen het oorlogsgeweld. In 1946 werden in het herstelde begijnhof de Provinciale Bibliotheek en het Provinciaal Museum gehuisvest.
In 1980 verhuisde de Provinciale Centrale Openbare Bibliotheek uit het beginhof naar een aanpalende nieuwbouw aan de Martelarenlaan, gebouwd door architect P. Felix en G. Nolens. Andere provinciale diensten vonden een onderkomen in het Begijnhof.

De gebouwen

Het Hasselts begijnhof is een pleinbegijnhof. Alle huizen zijn rond een centraal plein geschikt, waarop een kerk staat.

Het poortgebouw (1780) is in classicistische stijl opgetrokken. De poort en de ramen zijn met Naamse kalksteen omlijst. Naar buiten toe is het poortgebouw vrij gesloten, zoals de huizen. De poort werd immers elke avond gesloten en gaf de begijnen de nodige rust en afzonderingen voor hun ingetogen leven en godsdienstige meditaties.

Van de begijnhofkerk (1753-54), die aan de heilige Catharina gewijd was, blijven slechts enkele puinen over die ons een vage indruk geven van het hoge classicistische gebouw. Tegen de resten van de muren staan een aantal grafstenen of fragmenten die hier een bestemming hebben gevonden. Naast de grafstenen kan men er tevens enkele gesmede torenkruisen en dakversieringen bewonderen. Deze zijn afkomstig uit gans Limburg en dateren uit de 16de, 17de en 18de eeuw.

De huizen zijn in Maaslandse renaissancestijl opgetrokken met overvloedig gebruik van Naamse kalksteen rond de venster en deuren. Elk huis heeft een tuintje met muur en ingangspoort. Oorspronkelijk waren de tuintjes wel door muren gescheiden en deelden twee huizen het gebruik van één waterput zoals nu nog bij de huizen 9 en 10 te zien is. Tijdens de restauratiewerken vlak na Wereldoorlog II werden een aantal waterputten gedempt. Hoewel de traditie wil dat in één van de huizen (nr. 1) ooit twaalf begijnen woonden waren de meeste huizen slechts bestemd voor twee tot drie begijnen.
Het oudste huis (nr. 1) dateert uit 1707 en werd door Anna-Catharina Van Hilst (zie wapenschild boven de deur) opgedragen aan de heilige Jozef (zie reliëf in ovaal boven de deur. Ook de bovendrempel van het tuinpoortje nr. 6 hoort hierbij).

Dit huis is rijkelijker afgewerkt dan de andere. Boven de deur van huisje nr. 4 staat het wapenschild van de familie Eijben. In de gevels van de meest recente huizen is men veel spaarzamer omgesprongen met de kalksteen. Aan de zijgevel van het laatste huis van de jongste vleugel is duidelijk te merken dat men hier nog verder wilde bouwen. Bij nader toezien kunnen de drie bouwfazen van deze gevels - 1723,1736 en 1762 - relatief gemakkelijk herkend worden.

Begijnhoftuintjes

Z33 ging in 2002 op zoek naar vrijwilligers om de 11 ommuurde tuintjes in de  begijnhofsite te onderhouden. Verschillende buurtbewoners gingen op dit aanbod in en onderhouden nu al jaren één van de tuintjes. De ene tuin ligt wat meer verscholen dan de andere of is wat groter of zonniger.

Allen hebben ze raadselachtige namen als Duivelstuin of Tuin der Stilte. En ze worden stuk voor stuk met passie en grote toewijding onderhouden. De ene tuin weerspiegelt met haar specifieke planten het leven van de begijnen vroeger, een andere is een ode aan een geliefde.

Wandel gerust de tuintjes eens binnen. In iedere tuin kan je het verhaal lezen van de tuinder over zijn/haar tuin.

Share |