A-Z Night #8: een verhaal over migratie en solidariteit

Europa wordt geconfronteerd met een grote migratie uitdaging. Er bestaan uiteenlopende meningen over hoe om te gaan met vluchtelingen en migranten. Welk verhaal vertellen kunstenaars en ontwerpers om dit actuele thema te belichten? Die vraag stond centraal tijdens A-Z night #8. Jozefien Van Beek deelt haar reflecties over deze avond.

Sinds 2015 zijn er 1,5 miljoen mensen in Europa aangekomen als vluchteling. Het mag duidelijk zijn: migratie is een thema waar we niet meer aan voorbij kunnen. Maar welk verhaal vertel je? En welke taal gebruik je daarvoor?

Toen hij nog voor de klas stond, introduceerde ­professor Politieke Wetenschappen Aladin El-Mafaalani – zelf in Duitsland geboren als kind van hoogopgeleide Syriërs – de term ‘leerlingen met een internationaal verhaal’, omdat hij af wilde van de negatieve lading die aan het begrip ‘migratieachtergrond’ kleeft. De jongeren met een ‘nationaal verhaal’, voelden zich beledigd: ze kregen het gevoel dat ze minder interessant waren. Na verloop van tijd merkte Aladin El-Mafaalani dat de meeste leerlingen gingen graven in de geschiedenis van hun Duitse voorouders, op zoek naar iets ‘internationaals’. Het is een mooi voorbeeld van het belang van taal in het migratiedebat, en hoe sturend die kan zijn.

Ook architect en onderzoeker Merve Bedir onderstreept het belang van taal. In een zeer eenvoudig voorbeeld maakt ze meteen duidelijk wat ze bedoelt: “we spreken van klimaatverandering”, zegt ze, “terwijl het wel degelijk een crisis is die dringend aangepakt moet worden. Omgekeerd worden de recente gebeurtenissen benoemd als migratiecrisis. Als we er op een andere manier over spraken, dan zouden we er ook anders naar kijken.” Een idee dat aansluit bij het boek Liquid Fear van de Poolse socioloog en filosoof Zygmunt Bauman, waarin hij aangeeft hoe angst uitvergroot wordt via retoriek, en hoe die angst xenofobie voedt.

Van ‘hospitality’ naar ‘hostile’ is vreemd genoeg slechts een kleine stap. Dus pleit Bedir voor een beter begrip van het vocabulaire rond vluchtelingen.
— Jozefien Van Beek

Verhalen over migratie worden dus bepaald door onze woordkeuze, en dat interesseert Bedir, die doctoreerde aan de Technische Universiteit Delft, lid is van het transnationale vrouwencollectief Matbakh-Mutfak in Gaziantep en oprichter van MAD (Center for Spatial Justice) in Istanbul. Onze attitude ten opzichte van vluchtelingen begint al bij de woorden die we gebruiken om hen te beschrijven. In Turkije – een land dat historisch gezien veel nieuwkomers opnam uit een variëteit aan conflicten – wordt vaak de term ‘gast’ gebruikt. Dat was voor Bedir het startpunt om vragen te stellen over de regels van gastvrijheid in Turkije, en de inherente vijandigheid die al in het Engelse woord ingebed zit. Van ‘hospitality’ naar ‘hostile’ is vreemd genoeg slechts een kleine stap. Dus pleit Bedir voor een beter begrip van het vocabulaire rond vluchtelingen. Ze ziet het als het een noodzakelijke eerste stap voor een beter vluchtelingenbeleid.

Daarom geeft Bedir een close reading en historiek van het woord ‘hospitality’ en grijpt daarbij onder meer terug naar Of Hospitality, de bundeling van twee lezingen van Jacques Derrida, zelf een Algerijnse migrant in Frankrijk: “The foreigner is first of all foreign to the legal language in which the duty of hospitality is formulated, the right to asylum, its limits, norms, policing, etc. He has to ask for hospitality in a language which, by definition is not his own, the one imposed on him by the master of the house, the host, the king, the lord, the authorities, the nation, the State, the father, … This personage imposes on him translation into their own language, and that’s the first act of violence.”

Dat de gast door de gastheer een vreemde taal opgelegd wordt bij aankomst, is de eerste vorm van geweld die hem wordt aangedaan, zo stelt Bedir. En van solidariteit kan slechts sprake zijn wanneer het verschil tussen gast en gastheer verdwijnt.

Iets gelijkaardig zegt productontwerper Emma Ribbens. Pas wanneer de afstand verdwijnt, wanneer anonieme verhalen concreet worden, is er echte toenadering. Dat ervaarde ze zelf bij het werken aan haar eindwerk Nomadlab, waarvoor ze in 2017 de Wanatoeprijs won. Zij wilde een toolkit ontwerpen voor kinderen in vluchtelingencentra en -kampen om met afvalmateriaal modulaire speelobjecten te kunnen maken. Met een beperkt aantal elementen ontstaan er oneindig veel speelmogelijkheden, en zo kan de weerbaarheid van kinderen in kindonvriendelijke situaties versterkt worden, via samenwerking, creativiteit en spel.

Als je moet kiezen tussen hout gebruiken om een vuur te maken en warm te krijgen of om een speeltuin te bouwen, is de keuze snel gemaakt.
— Emma Ribbens

Oorspronkelijk dacht Ribbens het vraagstuk op te lossen van achter haar bureau, maar pas op het veld ontdekte ze de eindeloze complexiteit van de situatie. “Het is er bijvoorbeeld verboden om speelconstructies te maken”, zegt ze, “omdat overheden bang zijn dat een tijdelijk kamp permanent zou worden of een aanzuigeffect zou hebben. Een andere moeilijkheid: als je moet kiezen tussen hout gebruiken om een vuur te maken en warm te krijgen of om een speeltuin te bouwen, is de keuze snel gemaakt.” Die concrete beperkingen leerde ze pas kennen toen ze zelf ter plekke ging. Ribbens bezocht vluchtelingenkampen in Duinkerken, Istanbul en Lesbos. Ze schrok er van de mensonwaardige situaties, kon niet geloven dat dit Europa was. “Spelen is in zo’n situatie heel belangrijk”, zegt Ribbens. “Want het geeft kinderen de mogelijkheid om in al die ellende weer even kind te zijn.”

Toen Ribbens samen met filmmaker Clara Braeckman een documentaire wilde maken over haar project, kwam ze voor een resem nieuwe moeilijkheden te staan: dilemma’s en ethische kwesties. Ze reflecteerde en kwam uit bij een hoop vragen, zoals: Hoe kunnen ontwerpers relevant zijn en de juiste vragen stellen? Welke verantwoordelijkheid heb je als ontwerper en hoe zorg je ervoor dat je goede bedoelingen ongewild geen negatieve gevolgen hebben? Hoe zorg je ervoor dat je geen valse hoop creëert? Je bent maar tijdelijk ter plekke, dus hoe maak je jezelf misbaar? Hoe laat je zien dat vluchtelingen ook mensen zijn, zonder hen steeds af te schilderen als passieve slachtoffers? En tot slot: hoe vertel je een verhaal dat niet het jouwe is? Ribbens is een jonge, blanke vrouw die veel kansen kreeg. Ze vraagt zich af of zij het recht heeft dit verhaal te vertellen. Het lijkt in ieder geval belangrijk om het toch te proberen.

Wie op een andere manier verhalen vertelt, is filmmaker Sahim Omar Kalifa, die wel een eigen historie te vertellen heeft, maar in zijn films wegblijft van het autobiografische. ‘Koerd overleeft dagenlange tocht als verstekeling in container’, kopt De Standaard in 2012. Het is de eerste keer dat de naam Sahim Omar Kalifa opduikt in de Belgische krantenarchieven. De tweede keer is tien jaar later: ‘Vlaamse kortfilm wint in Berlijn’. Omar Kalifa sleepte met zijn kortfilm Land of the Heroes de Juryprijs voor Beste Kortfilm op de Berlinale in de wacht, én tal van andere prijzen. Ook Bad Hunter en Baghdad Messi deden het goed in het festivalcircuit.

Voor hij naar België kwam, was Omar Kalifa een boekhouder in Zakho, een stad van 200.000 inwoners in het noorden van Iraaks Koerdistan, op de grens met Turkije en Syrië, slechts enkele kilometers verwijderd van de bergen waar de separatisten van de PKK zich schuilhielden. Maar nadat drie van zijn broers vermoord werden en zijn ouders naar België vluchtten, weg van het Saddamregime, volgde ook hij. Een deel van zijn ervaring – de erbarmelijke dagenlange tocht in de achterbak van een vrachtwagen – verwerkte hij in zijn langspeelfilm Zagros. Maar verder is die prent niet autobiografisch, zo benadrukt hij. “Het gaat niet over mijn eigen leven. Ik heb een combinatie gemaakt van verhalen die ik hoorde toen ik als vertaler in een asielcentrum werkte.” Maar vooral: “Dit is geen verhaal over vluchtelingen, het is een universeel liefdesverhaal. Het vluchten is de achtergrond, ik wil er niet op focussen. Kunstenaars kunnen geen oplossingen geven. Wel vragen stellen.”

Onlangs wees Chris De Stoop er nog eens op dat de recente vluchtelingenstroom allesbehalve de eerste is, in zijn non-fictie boek Wanneer het water breekt. Vandaag komen bootvluchtelingen over de Middellandse Zee. In de jaren 70 en 80 ontvluchtten ze Vietnam over de Zuid-Chinese Zee. De Stoop schreef het verhaal van één groep mensen van vlees en bloed in één boot en speelt zo in op onze empathie. Hij geeft ons inzicht in hoe zo’n verhaal een mens kan tekenen voor de rest van zijn leven, iets wat de Italiaanse schrijfster Natalie Ginzburg eveneens deed in haar boek Little virtues, op weergaloze, maar trieste wijze. In het verhaal ‘The Son of Man’ schrijft ze: “There has been a war and people have seen so many houses reduced to rubble that they no longer feel safe in their own homes which once seemed to quiet and secure. This is something that is incurable and will never be cured no matter how many years go by. True, we have a lamp on the table again, a little vase of flowers, and pictures of our loved ones, but we can no longer trust any of these things because once, suddenly, we had to leave them behind, or because we have searched through the rubble for them in vain. (…) Those of us who have been fugitives will never be at peace.”

Het wordt hoog tijd dat we dat collectief beseffen.

NieuwsVeerle Ausloos